Ik voel mij een dingo
en dat is bingo.
| ma | di | wo | do | vr | za | zo |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | ||
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | 31 |
« april 2007 | Hoofdmenu | augustus 2007 »
Ze stond op één van de tafels, te schreeuwen naar het volk. Een scherpe neus en pieken nat grijs haar.
Het bier vloeide rijkelijk. De liefde werd openlijk bedreven op straten en in cafés.
"Ike vil stilte. Nu. Luistere gullie naar mij. Ike vil singen."
In haar hand hield ze een groot stuk papier met franse tekst. Aan haar been trok een jongen met opvallend hoge jukbeenderen en gepakt in doeken.
"Ike vil singen."
Na een tijd kreeg ze de gevraagde aandacht. Het volk vormde een kring rond de tafel en allen keken naar haar.
"Ike."
"Ga."
"Singen."
Haar ogen viel zo af en toe eens dicht en ze wankelde.
"Je suis."
Ze zong zowaar. En stilte bij het volk. Haar handen gingen de lucht in. De doekenjongen trok nog steeds aan haar been en hij trok haar. Hij trok haar broek af?
Er begon iemand te bulderen. De anderen volgden.
Er werd met bier gegooid. Eerst naar de vrouw en de jongen, daarna naar iedereen.
De vrouw trok ook haar onderbroek uit, klopte op haar billen. Iedereen ging door met gooien.
De doekenjongen werd kwaad en liep weg. Hij verloor hierdoor een sandaal.
De vrouw viel van de tafel en weende.
Ik heb vandaag foto's zitten kijken. Allemaal kindertjes met afschuwelijke kleren en namen.
Eva stond tussen Kevin Kelly Andy Koen Kenny Fleur Annick Bo Ines Andrew Jony Kristel Pamela (die iedere dag andere kleren aanhad, daar verbaasde ik mij als kind al over).
Ik moet plots denken aan Kristel.
Kristel was mijn dikke vriendin. Ros haar, flaporen, at alleen chips en zweette zo steeds. Ze woonde achter mijn hoek en op woensdagmiddag ging ik bij haar eten. Ze had een schriele moeder met weinig haar, een gezellige grootmoeder en een rotweiller als huisdier die ik enorm haatte nadat hij mij bijna gebeten had. Het mooiste was hun inkomhalletje waar boten op de muur stonden geschilderd in een heldere blauwe zee.
We aten steeds pannenkoeken met slagroom uit een bus, wat ik raar vond. Thuis klopten we de room tot hij stijf werd, maar bij Kristel kwam hij gewoon uit een dopje als je erop duwde.
De grootmoeder woonde beneden, Kristel en de moeder en de rotweiller boven. Na de pannenkoeken keken we televisie (thuis had ik er immers geen) en gingen daarna naar Kristels kamer (thuis moest ik met mijn broer op de kamer slapen, wat ik eigenlijk heel plezant vond maar tegen mijn vriendinnen zei dat het best vervelend was).
Maar wat Kristel in huis had, wilde ik ook heel graag.
Zowaar kassetjes van Samson en Gert (die ook nog eens in een doos zaten waar Samson op afgebeeld stond) en een toverbal waar je aan moest lekken zodat er allemaal kleuren ontstonden. Op een dag zei ik dat tegen Kristel en ik kreeg ze maar niet zomaar.
Aan de overkant van de straat stonden twee meisjes te roken en ik moest door het open raam naar hen scheldwoorden roepen. Ik vond het vervelend dat ik zo'n opdracht kreeg, maar deed het maar.
"Hé, jullie hebben kaka in jullie broek."
"Hé, pipistront"
"Hé, kakkerlakken."
"Hé, jullie zijn dik."
Ik stond in het zolderraampje deze woorden te roepen met een hoge stem die ik schor riep. Naast mij zat Kristel en riep ook wat, af en toe. De meisjes keken één keer en bukten we ons snel. Het was spannend en Kristel vond het ook grappig. Ik stom.
Toen moest ik naar huis en kreeg de kassetjes mee. De toverballen waren op, zei Kristel.
Daarna ging Kristel van school. Waarom weet ik ook niet.
Op de hoek stond de melkboer te onderhandelen over zeven melkkannen met de buur van Jozef.
De man van vijfentwintig die we nu even Mark zullen noemen (Markske voor de vrienden) kwam voorbij en hoorde de woorden: Kazakstan, vuile scheetzak en a moeder hee een snor.
Woorden die onze Mark niet echt kon thuisbrengen in één context, maar wat deert dat? ’t Is immers zijn gesprek niet.
Maar dan.
“Zeg Markske, gij zijt de schoonzoon zeker van José?”
Mark draaide zich om en knikte na een tijd ja.
“Weete da ze hier neffe ligt te vossen me de Jozef?”
Mark knikte weer. Zijn hond begon opnieuw te blaffen.
“’t Is maar da ge’t weet hè. Markske. Gij zijt zo’n schoon jong.”
Mark keek even naar zijn hond, draaide zich om en liep verder.
José, dat braaf wijveke.
En hoe dat tegen zijn vrouw te zeggen?
En wat dan met den bompa? Het gaat al zo slecht met z’n hart.
Mark liep door het park. Hij hoorde een mannenstem zingen, vlakbij. Hij keek rond zich heen, richting het geluid: Marco, die het net niet tot operazanger had geschopt. Hij zat op een bank met zijn bolle buik en rond, op en aan hem kinderen. Marco zong over een erwtenkoning die met zijn zoontje in een donker bos rijdt, ’s avonds laat. Het was een triestig verhaal over doodgaan en enge monsters. De kinderen zwegen. Onze Mark staarde.
Wat met José? José José. En den bompa.
Gelukkig wist Mark toen nog niet dat zijn vrouw over een maand zou sterven.
Zijn hond trok aan zijn rode leiband.
"Het lijkt wel een vosje."
"Nen tijger."
"Een kleine koei."
De dames van het plaatselijk koor hadden net gedaan met repeteren en stonden buiten naar zijn hond te kijken, die met veel geblaf de aandacht trok.
"En hoe oud is da kleintje, als ik vragen mag?" vroeg er één waarvan de lippenstift op de tanden plakte.
"Zeven jaar", antwoordde hij. Hij, man van vijfentwintig jaar die zijn schoonmoeder moest opwachten van zijn vrouw die al wat maanden leed aan een chronische vermoeidheid dus alleen nog het bed kende en volgende maand zou sterven, keek over de hoofden heen van deze dames.
"Dus wilt gij mij vertellen da deze kleine sloeber altijd zo klein zal blijven?"
"Dat hebt u juist. Is José nog niet buiten?"
"José? Die was er vandaag niet hé dames?"
"Nee, zij was er vandaag niet."
De man keek iet of wat verbaasd. José, dat braaf wijveke.
"En weten jullie wel waar ze is?"
De dames begonnen te grinniken.
Een tijd lang.
"En weten jullie wel waar ze is?"
De kleinste van de troep ging dicht bij de man staan.
"Ze heeft ne lover. De Jozef me een hele lange snor."
"En een hele grote borstkas en zo'n tong."
De dames maakte zich klaar om te vertrekken.
De man liep nog een blokje om met zijn hond die aan een rode leiband hing.
Op de hoek stond de melkboer.
Wat is er toch met dat gevoel?
Het zit in mijn buik en het rommelt zo.
Ik heb al meerdere pogingen ondernomen
(wenen, slapen, weinig eten, muziek, lezen)
maar het lukt me niet om het te verbannen.
Wat. Is. Dat.
Wat is dat toch menier. Leg het me toch uit.
Desnoods een operatie, een maagring ofzo.
Kan u dat plaatsen alstublieft?
Ja, het is noodzakelijk.
Hoe kleiner de maag, hoe kleiner dat narig gevoel.
Wat het precies is?
Dat zei ik toch al.
Het rommelt, kan me nergens op concentreren en.
Waar ik dan aan denk?
Aan zoveel menier.
Vooral aan denk?
Ja, ook. En aan. Ja.
Nee, bellen gaat ook niet. Dan word ik genegeerd.
Ja, naar is dat. Dat vind ik ook.
Ja, heel kwaad ben ik. Nee, ha, dat gaat toch niet.
Ach.
Alstublieft menier, verlos me. Leg me in wat zout.
Ik weet ook niet waarom ik dit schrijf.