Laatste berichten

juli 2009

ma di wo do vr za zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
Powered by TypePad
web-log.nl, powered by TypePad

Het domein van H.M.

We wandelden over het domein waar Harry Mulisch ooit woonde, in één van de rijkste gemeentes van Nederland. Mijn enkels deden pijn en zijn heup stak, maar we wandelden en zeiden dat het goed was, vooral de geur. Wat verder werd er geschoten op wild en onze harten bonsden even luid.

Hij wilde op een bankje zitten, ik niet, maar deed het toch. Kijken naar het weiland in de mist,. Kijk nu toch eens, zei hij en hij porde in mijn zij. Kijk nu eens naar deze wei met die bomen er midden in en het vijvertje, hoe mooi het is in de mist en ruik nu toch eens. Ik keek naar de grond en zei dat ik keek en rook. Ik rolde een sigaret, stak hem op en keek van de grond naar hem.
Hij vertelde een verhaal over een vakantie. Hij lag naast zijn broer op het strand, er kwam een meisje naast hen staan. Zij nam zijn hand en leidde hem naar een grot. Ze had er kadavers van zeehonden en orka's hangen die ze gevonden had op het strand. Hij keek ernaar en zag in een hoek een vrouw zitten. De vrouw kwam naar hem toe en vroeg een cent, het leek immers op een tentoonstelling, dit hier. De vrouw was netjes opgemaakt; rode schmink, en blauwe kleurstof op haar wangen. Ze vroeg nog een keer om een cent, terwijl ze een mes uit haar zak nam. Hij wist niet wat te doen en stond op het punt om weg te lopen. Het meisje nam zijn hand weer vast en leidde hem naar buiten.

Ik vroeg hem waarom hij dit vertelde. Hij zei dat hij er plots aan moest denken. Het weiland, de mist, de rust. Vooral de rust deed hem er aan denken. De grot was net zo. En vertel jij nu eens iets. Ik keek weer naar de grond en zei dat ik soms een liedje zing, dat van hompidompidomp gaat. Verder niets. Ik wist het niet, ik haat die vraag. Ik moest nog iets vertellen. De sigaret was gedoofd, het vuur staakte. Dat ik gisteren tot de ontdekking kwam dat ik vaak op minutenlang op mijn kaken bijt. Hoe dat kwam, vroeg hij. Weet ik veel, gewoon, omdat het gebeurt.
Ik stond op, hij bleef zitten. Ik zette een stap, hij bleef zitten. De jager schoot weer een zwijn dood. Hij stond op en we gingen verder. Over het domein van H.M. en door de kou. En mijn enkels, mijn verdomde enkels.
Hij vertelde nog wat over zijn moeder en zijn zuster, totdat hij plots neerviel terwijl de jager een knal liet. Hij lag op een hoopje, met zijn gezicht op de grond en zijn armen gespreid, zijn lichaam verspreid over de grond.

Ik werd wakker en rook mijn moeder. Ze zat naast mij op bed en rookte als een turk. Ze zei dat hij nog leefde. Ik voelde voor de eerste keer een diepe teleurstelling. Ik kon wel wenen van verdriet en ik schaamde me niet. Ze gaf me de sigaret en een cadeautje, zei dat vader voor me een poppetje had gezaagd. Ik pakte het uit, viel terug op mijn hoofdkussen en weende. Die nacht heb ik nog van hem gedroomd. Van het voorval die nacht en dat ik, zoals het hoort, naast hem neerviel en uit paniek zijn haar uittrok.

Kriske

Kriske had wat pijn aan zijn oog. Het ging niet goed met hem, nee.

Hij wou graag bomendoktor worden, maar belandde op een dag in de faculteit Rechten. Hij zat op een stoel en luisterde naar de leraar. Rechten, dacht Kriske, wat moet ik in godsnaam met Rechten. Naast hem zat een meisje, Julia was haar naam. Ze porde hem met haar potlood in zijn zij en sinds die dag waren ze vrienden. Althans, zo noemde Julia hem, een vriend. Een vriend, dacht Kriske, wat moet ik met een vriend. Dingen doen, zoals praten en wandelen in het park. En wat zal ik dan zeggen. 'Het weer is goed, en met u?' Of: 'Wat een mooie blouse, hebt ge die al lang?'

Julia vroeg op een dag: 'Zullen we trouwen? Ik heb al een huis op het oog, met een tuin en een garage.' Kriske hief zijn schouders op. Trouwen, dacht hij, wat moet ik in godsnaam met trouwen. Hij knikte wat met zijn kop en Julia gaf hem een kus en een ring, omdat het vandaag zo'n bijzondere dag is. De ring was te klein en de kus was vochtig. Net zoals het weer en de aarde.
Ze trouwden. Er waren negen mensen, die klapten in hun handen en één had wat tranen in zijn ogen, van de ontroering. Kriske stond wat in zijn net pak te wiegelen en at een wortel, met cocktailsaus. Echt lekker was de wortel niet, oud met rotte plekken. Julia kocht een bed, een tafel, twee stoelen en een kast. Voor het huis stond een plant en in de tuin een cactus en drie bloemen.

Kriske ging iedere dag naar zijn kantoor, met mensen praten, of de mensen praatten meer en Kriske knikte wat en noteerde in zijn boekje. In justitiepaleizen ging hij het volk verdedigen en op een dag vroeg iemand of hij geen rechter wou worden. Rechter, dacht Kriske, wat moet ik in godsnaam met een rechter. Hij knikte wat met zijn kop en die iemand gaf hem een hand, proficiat Kriske, omdat het vandaag zo'n bijzondere dag is.
Hij werd rechter en dacht iedere dag meer en meer aan het worden van een bomendoktor. Wauw, dacht Kriske, dat moet wel plezant zijn.

Julia stierf op een dag en Kriske verkocht het huis. Hij nam het geld in ontvangst en vertrok. Weg uit de stad, weg uit de omgeving, weg uit de justitiepaleizen. Hij kocht ergens een Opel Kadettje en een karavan, voor een appel en ei. De wijde wereld, dacht Kriske, de wijde wereld. Hij reed en reed en reed naar het zuiden. Daar vond hij een hut en een geit in een bos. Hij stapte uit zijn Opel en kreeg een tak in zijn oog. Gelukkig vond hij de hut goed genoeg en was de tak in zijn oog niet zo erg.

In het dorp kocht hij bij de boekenhandelaar een paar hoeteverzorgeneenboomboeken in de taal van de streek en een woordenboek. Hij leefde van de literatuur, de geitenmelk en wat aardappels. Na een tijd had hij de taal onder de knie en begon met de praktijk. Wat een toeval dat er veel zieke bomen stonden in het bos, dus had hij zijn handen vol met het verzorgen en genezen. Ondertussen stierf de geit en Kriske slachtte het dier voor de winter, de barre maanden. Hij kreeg weer last van zijn oog.

WORDT VERVOLGD.

Hij had het er eens goed van gepakt in het bungalowpark.
Ik rook het bier nog en zijn ogen stonden op half zeven. Maar het heeft hem deugd gedaan.
In de prammen geknepen van menig vrouwmens en liters alcohol in zijn keel gegoten.

Hij was even op de vaste grond, mijn piraat. Nog steeds dat oorringetje en de papegaai. Hij kwam even zeggen hoe amusant de avond geweest was, meer niet.
'En moet ge nie aan mij vragen hoe het gaat?' zei ik.
Hij wou nog een koffie, met suiker, en vertelde verder.
'Het gaat goed met mij. Echt. De kinderen zijn weer gezond en kakken iedere dag stevige drollen', zei ik.

Ik zette nog maar een pot koffie en keek naar die tijd die traag voorbij ging.
'Wanneer vaart ge weer?'
'Overmorgen, zolang wil ik hier blijven, kan da?'
'Kunt ge nie terug naar uw parkske?'
'Gesloten.'
'Of naar één of andere vrouw van deze nacht?'
'Gij zijt toch een vriendin?'
Ik was een vriendin, ja. Maar wat voor één.
Ik kon hem in mijn bed laten slapen. Ik kon hem op de zetel laten slapen. Ik kon hem ook gewoon weer de deur uitzetten.

Ik zette hem in bad, de papegaai gooide ik de tuin in.
Rust. Geen piraat, geen kinderen. Alleen de geur van koffie. Ik ging naar de tuin, waar ik een boomklever zag en een heggemus hoorde, de eerste dit jaar.
Hij riep iets. De papegaai die zich in een top van een boom had genesteld, keek naar zijn baasje en zei iets in de trant van: ook wijven met beharing hebben borsten.

Binnen zocht ik mijn katapult en een scherpe steen. Recht tegen de kop van dat beest, in de hoop dat de piraat op mijn ging vloeken en dat we elkaar nooit meer gingen ontmoeten.
Maar allesbehalve dat gebeurde er.
''t Beesje was oud, hij moest op een dag maar eens sterven.'
Ik lachte schamper.
'Is hier een dierenwinkel?'
'Nee.'
'Waar dan wel?'
'Duizend kilometer verder.'

Hij vertrok niet. Hij bleef maar naar zijn beesje kijken, drie dagen lang en miste zijn boot.
De kinderen raakten verknocht aan hem. Ik nog meer.
En nu huil ik dikke tranen, morgen gaat hij voor een jaar weg.

Belachelijke piraat.

Zuster

Ik zag mijn zuster wenen. Droppels snot druppelden het afwaswater in. De radio speelde jazz. Ik dacht aan huiswerk maken, maar ik wist dat ik aan mijn zuster moest denken.
'Gaat het?' vroeg ik. Ze schudde van nee. Stomme vraag ook.

Ons moeder zat op de koer, een boekje te lezen. Ze zag haar dochter wenen.
'Komt eens hier, bij uw moeder zitten.'
'Nee.'
'Maar komt nu eens hier.'
'Nee moeder. Laat me maar.'
Ons moeder zei niets meer en las verder, althans, zo leek het.

Ons vader kwam beneden. Hij zag zijn dochter wenen. De radio speelde nog steeds jazz. Ik moest plots denken aan het afwasmachien dat ik eens met mijn zuster speelde.
'Kijk vader. Wij zijn een machien. Ziet ge dat?' zei ik. Ons vader keek en knikte goedkeurend. En dat begreep ik wel.
'Gaat het?' vroeg hij aan mijn zuster. Alweer nee.
'Maar wat is er dan?'
'Niets. Helemaal niets.'
'Laat ons even alleen', zei hij tegen mij. Mijn zuster knikte nee.
'Jawel.'

Ik ging naar buiten, naast ons moeder zitten. Zij begon over Britney. Dat las ze in de boekskes en vond het interessant.
'Waar is uw vader?' vroeg ze me plots.
'Binnen.'
'Waarom?'
Wat moest ik zeggen?
'Hij houdt niet van de zon en het weer. Liever van mijn zuster.'
Ze staarde voor zich uit. Binnen hoorde ik gegil en gebulder.

Het ging een tijd door.
Daarna niets meer.
Alleen de jazz. Op de radio.

Morgen zal ik mijn zuster zien wenen. Tijdens de afwas of het eten. En ik zal vragen: 'Gaat het?' en ze zal nee knikken. Wat een stomme vraag toch ook. Maar ik zeg het alleen omdat iedereen dat steeds vraagt.
En ons vader zal naar beneden komen. En ons moeder praten over Britney.

Zuster. Trien. Afwasmachien. Komt hier.

Haan

Waarom staat er eigenlijk een haan op een kerktoren? vroeg ik mij onlangs af.
Ik vroeg het hem, want hij weet alles. Maar op deze vraag had hij niet echt een antwoord.

Misschien omdat hij een evenwichtig lichaam heeft, en zo niet van de toren kan vallen?
Misschien omdat de haan de mensen al eeuwenlang wakker kraait?
Misschien omdat hij daar gewoon graag zit?
Misschien omdat er over heel de wereld hanen zitten?
Misschien moet je daar geen vragen over stellen?

Misschien moet ik mij over zo'n dingen geen vragen stellen.
Juist.

Ik voel mij een dingo
en dat is bingo.

Ze stond op één van de tafels, te schreeuwen naar het volk. Een scherpe neus en pieken nat grijs haar.

Het bier vloeide rijkelijk. De liefde werd openlijk bedreven op straten en in cafés.

"Ike vil stilte. Nu. Luistere gullie naar mij. Ike vil singen."
In haar hand hield ze een groot stuk papier met franse tekst. Aan haar been trok een jongen met opvallend hoge jukbeenderen en gepakt in doeken.
"Ike vil singen."

Na een tijd kreeg ze de gevraagde aandacht. Het volk vormde een kring rond de tafel en allen keken naar haar.
"Ike."
"Ga."
"Singen."
Haar ogen viel zo af en toe eens dicht en ze wankelde.
"Je suis."
Ze zong zowaar. En stilte bij het volk. Haar handen gingen de lucht in. De doekenjongen trok nog steeds aan haar been en hij trok haar. Hij trok haar broek af?
Er begon iemand te bulderen. De anderen volgden.

Er werd met bier gegooid. Eerst naar de vrouw en de jongen, daarna naar iedereen.
De vrouw trok ook haar onderbroek uit, klopte op haar billen. Iedereen ging door met gooien.
De doekenjongen werd kwaad en liep weg. Hij verloor hierdoor een sandaal.

De vrouw viel van de tafel en weende.

Kristel

Ik heb vandaag foto's zitten kijken. Allemaal kindertjes met afschuwelijke kleren en namen.
Eva stond tussen Kevin Kelly Andy Koen Kenny Fleur Annick Bo Ines Andrew Jony Kristel Pamela (die iedere dag andere kleren aanhad, daar verbaasde ik mij als kind al over).

Ik moet plots denken aan Kristel.
Kristel was mijn dikke vriendin. Ros haar, flaporen, at alleen chips en zweette zo steeds. Ze woonde achter mijn hoek en op woensdagmiddag ging ik bij haar eten. Ze had een schriele moeder met weinig haar, een gezellige grootmoeder en een rotweiller als huisdier die ik enorm haatte nadat hij mij bijna gebeten had. Het mooiste was hun inkomhalletje waar boten op de muur stonden geschilderd in een heldere blauwe zee.

We aten steeds pannenkoeken met slagroom uit een bus, wat ik raar vond. Thuis klopten we de room tot hij stijf werd, maar bij Kristel kwam hij gewoon uit een dopje als je erop duwde.
De grootmoeder woonde beneden, Kristel en de moeder en de rotweiller boven. Na de pannenkoeken keken we televisie (thuis had ik er immers geen) en gingen daarna naar Kristels kamer (thuis moest ik met mijn broer op de kamer slapen, wat ik eigenlijk heel plezant vond maar tegen mijn vriendinnen zei dat het best vervelend was).

Maar wat Kristel in huis had, wilde ik ook heel graag.
Zowaar kassetjes van Samson en Gert (die ook nog eens in een doos zaten waar Samson op afgebeeld stond) en een toverbal waar je aan moest lekken zodat er allemaal kleuren ontstonden. Op een dag zei ik dat tegen Kristel en ik kreeg ze maar niet zomaar.

Aan de overkant van de straat stonden twee meisjes te roken en ik moest door het open raam naar hen scheldwoorden roepen. Ik vond het vervelend dat ik zo'n opdracht kreeg, maar deed het maar.

"Hé, jullie hebben kaka in jullie broek."
"Hé, pipistront"
"Hé, kakkerlakken."
"Hé, jullie zijn dik."

Ik stond in het zolderraampje deze woorden te roepen met een hoge stem die ik schor riep. Naast mij zat Kristel en riep ook wat, af en toe. De meisjes keken één keer en bukten we ons snel. Het was spannend en Kristel vond het ook grappig. Ik stom.

Toen moest ik naar huis en kreeg de kassetjes mee. De toverballen waren op, zei Kristel.

Daarna ging Kristel van school. Waarom weet ik ook niet.

José II

Op de hoek stond de melkboer te onderhandelen over zeven melkkannen met de buur van Jozef.
De man van vijfentwintig die we nu even Mark zullen noemen (Markske voor de vrienden) kwam voorbij en hoorde de woorden: Kazakstan, vuile scheetzak en a moeder hee een snor.
Woorden die onze Mark niet echt kon thuisbrengen in één context, maar wat deert dat? ’t Is immers zijn gesprek niet.

Maar dan.
“Zeg Markske, gij zijt de schoonzoon zeker van José?”
Mark draaide zich om en knikte na een tijd ja.
“Weete da ze hier neffe ligt te vossen me de Jozef?”
Mark knikte weer. Zijn hond begon opnieuw te blaffen.
“’t Is maar da ge’t weet hè. Markske. Gij zijt zo’n schoon jong.”
Mark keek even naar zijn hond, draaide zich om en liep verder.

José, dat braaf wijveke.
En hoe dat tegen zijn vrouw te zeggen?
En wat dan met den bompa? Het gaat al zo slecht met z’n hart.

Mark liep door het park. Hij hoorde een mannenstem zingen, vlakbij. Hij keek rond zich heen, richting het geluid: Marco, die het net niet tot operazanger had geschopt. Hij zat op een bank met zijn bolle buik en rond, op en aan hem kinderen. Marco zong over een erwtenkoning die met zijn zoontje in een donker bos rijdt, ’s avonds laat. Het was een triestig verhaal over doodgaan en enge monsters. De kinderen zwegen. Onze Mark staarde.

Wat met José? José José. En den bompa.
Gelukkig wist Mark toen nog niet dat zijn vrouw over een maand zou sterven.

Zijn hond trok aan zijn rode leiband.

José

"Het lijkt wel een vosje."
"Nen tijger."
"Een kleine koei."

De dames van het plaatselijk koor hadden net gedaan met repeteren en stonden buiten naar zijn hond te kijken, die met veel geblaf de aandacht trok.

"En hoe oud is da kleintje, als ik vragen mag?" vroeg er één waarvan de lippenstift op de tanden plakte.
"Zeven jaar", antwoordde hij. Hij, man van vijfentwintig jaar die zijn schoonmoeder moest opwachten van zijn vrouw die al wat maanden leed aan een chronische vermoeidheid dus alleen nog het bed kende en volgende maand zou sterven, keek over de hoofden heen van deze dames.
"Dus wilt gij mij vertellen da deze kleine sloeber altijd zo klein zal blijven?"
"Dat hebt u juist. Is José nog niet buiten?"
"José? Die was er vandaag niet hé dames?"
"Nee, zij was er vandaag niet."
De man keek iet of wat verbaasd. José, dat braaf wijveke.
"En weten jullie wel waar ze is?"
De dames begonnen te grinniken.

Een tijd lang.
"En weten jullie wel waar ze is?"
De kleinste van de troep ging dicht bij de man staan.
"Ze heeft ne lover. De Jozef me een hele lange snor."
"En een hele grote borstkas en zo'n tong."

De dames maakte zich klaar om te vertrekken.
De man liep nog een blokje om met zijn hond die aan een rode leiband hing.
Op de hoek stond de melkboer.