Het domein van H.M.
We wandelden over het domein waar Harry Mulisch ooit woonde, in één van de rijkste gemeentes van Nederland. Mijn enkels deden pijn en zijn heup stak, maar we wandelden en zeiden dat het goed was, vooral de geur. Wat verder werd er geschoten op wild en onze harten bonsden even luid.
Hij wilde op een bankje zitten, ik niet, maar deed het toch. Kijken naar het weiland in de mist,. Kijk nu toch eens, zei hij en hij porde in mijn zij. Kijk nu eens naar deze wei met die bomen er midden in en het vijvertje, hoe mooi het is in de mist en ruik nu toch eens. Ik keek naar de grond en zei dat ik keek en rook. Ik rolde een sigaret, stak hem op en keek van de grond naar hem.
Hij vertelde een verhaal over een vakantie. Hij lag naast zijn broer op het strand, er kwam een meisje naast hen staan. Zij nam zijn hand en leidde hem naar een grot. Ze had er kadavers van zeehonden en orka's hangen die ze gevonden had op het strand. Hij keek ernaar en zag in een hoek een vrouw zitten. De vrouw kwam naar hem toe en vroeg een cent, het leek immers op een tentoonstelling, dit hier. De vrouw was netjes opgemaakt; rode schmink, en blauwe kleurstof op haar wangen. Ze vroeg nog een keer om een cent, terwijl ze een mes uit haar zak nam. Hij wist niet wat te doen en stond op het punt om weg te lopen. Het meisje nam zijn hand weer vast en leidde hem naar buiten.
Ik vroeg hem waarom hij dit vertelde. Hij zei dat hij er plots aan moest denken. Het weiland, de mist, de rust. Vooral de rust deed hem er aan denken. De grot was net zo. En vertel jij nu eens iets. Ik keek weer naar de grond en zei dat ik soms een liedje zing, dat van hompidompidomp gaat. Verder niets. Ik wist het niet, ik haat die vraag. Ik moest nog iets vertellen. De sigaret was gedoofd, het vuur staakte. Dat ik gisteren tot de ontdekking kwam dat ik vaak op minutenlang op mijn kaken bijt. Hoe dat kwam, vroeg hij. Weet ik veel, gewoon, omdat het gebeurt.
Ik stond op, hij bleef zitten. Ik zette een stap, hij bleef zitten. De jager schoot weer een zwijn dood. Hij stond op en we gingen verder. Over het domein van H.M. en door de kou. En mijn enkels, mijn verdomde enkels.
Hij vertelde nog wat over zijn moeder en zijn zuster, totdat hij plots neerviel terwijl de jager een knal liet. Hij lag op een hoopje, met zijn gezicht op de grond en zijn armen gespreid, zijn lichaam verspreid over de grond.
Ik werd wakker en rook mijn moeder. Ze zat naast mij op bed en rookte als een turk. Ze zei dat hij nog leefde. Ik voelde voor de eerste keer een diepe teleurstelling. Ik kon wel wenen van verdriet en ik schaamde me niet. Ze gaf me de sigaret en een cadeautje, zei dat vader voor me een poppetje had gezaagd. Ik pakte het uit, viel terug op mijn hoofdkussen en weende. Die nacht heb ik nog van hem gedroomd. Van het voorval die nacht en dat ik, zoals het hoort, naast hem neerviel en uit paniek zijn haar uittrok.